De rijke Bramenplukker
Uit: ‘De sprookjes van Godfried Bomans’. Vrije bewerking.
Vele jaren geleden leefde er in een groot bos een oude bramenplukker, die aan zichzelf en aan wat het land hem gaf genoeg had. Er was geen vrolijker mens denkbaar. “Zie,’ placht hij ‘s morgens te zeggen, ‘die stralende diamanten op alle bloemen! En voor wie anders liggen al die glanzende parels over het gras gestrooid dan voor mij? Wat ben ik rijk!” Als hij door het woud liep, zuchtte hij: “Wat een hoge gewelven, wat een ruime portalen, wat een prachtige zuilen!” ’s Middags keek hij, liggend op zijn rug naar de wolken, die de wonderlijkste figuren voor hem maakten. “Wie heeft er zo’n zoldering? Ik word er verlegen van!” Maar ’s avonds was de bramenplukker het meest verheugd. Dan wachtte hij onder de laurierboom voor zijn huisje. Als de zon voor het laatst haar purperen stralen over de heuvels wierp, begon ver in het woud plots een fijne hoge stem te jubelen, zo verrukkelijk schoon en toch zo weemoedig dat de bramenplukker de tranen in de ogen schoten.
Op een avond trok een ontdekkingsreiziger door het woud, duwde de kleine wankele deur open en stond glimlachend voor de bramenplukker. ‘Vriend,’ sprak hij, ‘wat eten en een bed, dat is al. Want ik heb honger en slaap. Hier is een goudstuk. Dat maakt de tong wat losser.’ ‘Ik heb dat niet nodig,’ antwoordde de bramenplukker eenvoudig. ‘Ik heb diamanten.’ ‘Diamanten?’ herhaalde de reiziger, ‘Hoeveel?’ ‘Precies weet ik het niet,’ sprak de bramenplukker peinzend, ‘een paar grasvelden vol.’ ‘Dan ben je schatrijk!’, riep de reiziger uit. ‘Dat zei ik toch al,’ sprak de bramenplukker, ‘maar er is nog zo veel meer. Daar zijn bijvoorbeeld de spiegels.’ ‘Spiegels?’ vroeg de reiziger gejaagd. ‘Ja,’ vervolgde de bramenplukker op dezelfde achteloze toon, ‘een paar duizend, ik heb ze nooit geteld. Sommige zijn zo groot dat je een dag nodig hebt om er omheen te lopen. Vriend, waar liggen al die schatten?’ ‘In mijn huis.’ ‘Dat moet een paleis zijn!’ stamelde de reiziger. ‘Dat is het ook,’ glimlachte de bramenplukker. ‘Ik heb het zelfs nooit helemaal bekeken, daarvoor is het te groot. Er zijn zuilengangen bij waarvan men het eind niet zien kan; duizenden slanke kolommen dragen het gewelf. Dat is een lust voor het oog! Doch af en toe ontmoet men wijde, nog hogere portalen; het gewelf is daar niet groen, doch lichtblauw met witte vlekken.’ ‘Mozaïek?’ vroeg de reiziger ademloos. ‘O, neen!’ hernam de bramenplukker lachend, ‘dat zou mij op den duur vervelen; altijd hetzelfde te bekijken. Nee, hier bewegen zich de figuren, zij trekken langzaam en statig voorbij, ja, zij vervormen zich tot de wonderlijkste gedaanten. Zelfs de kleuren veranderen: dan is het diepblauw, dan lichtgrijs, soms beide. ‘Dat is ongelofelijk!’ riep de reiziger. ‘Maar ben je dan soms niet eenzaam?’ ‘O neen!’ sprak de bramenplukker, ‘er is muziek genoeg, van alle kanten en de hele dag door. ‘Muziek?’ riep de reiziger, ‘muziek? Kom, bramenplukker, nu maak je me wat wijs.’ ‘Neen, wezenlijk niet,’ verzekerde de bramenplukker, ‘de hele dag door en telkens nieuwe liederen. Maar ’s avonds worden de solo’s gezongen. Daar heb ik een aparte zanger voor. U blijft toch vannacht hier slapen?’ ‘Neen,’ antwoordde de reiziger, zijn jas aantrekkend, ‘ik ga onmiddellijk door om dit aan iedereen te vertellen.’ Hij trok de deur achter zich toe en verdween in de nacht.
De reiziger sprong over sloten en heggen, zwom twee rivieren over, trok een donker woud door en was in de stad. ‘Burgemeester,’ zeide hij, ‘ik heb iets belangrijks te zeggen.’ ‘Wel,’ sprak de burgemeester, ‘ga maar op het balkon van het stadhuis staan.’ En dat deed de reiziger. ‘Mensen!’ riep hij, ‘willen jullie parels en diamanten?’ Willen jullie rijk zijn? Willen jullie dure spiegels en wonen in een paleis vol muziek? Kom dan maar mee met mij. Verlies geen tijd." Een hele groep nieuwsgierige mensen stapte achter de reiziger aan, recht naar het land over de velden, zwom over twee rivieren, sprong over heggen en sloten tot bij het huisje van de bramenplukker.
"Hier zijn we, bramenplukker", zei de reiziger, "Wij komen de diamanten halen, samen bij jou wonen in het paleis, luisteren naar de prachtige muziek en onszelf bewonderen in uw vele spiegels.” "Oké," zei de bramenplukker tegen de verraste groep mensen, "ga dan eerst maar slapen. Morgenochtend laat ik jullie alles zien.” En heel de groep mensen sliep buiten.
De volgende morgen lagen de velden glinsterend en sprankelend onder de rode hemel; aan elke grashalm, ook de kleinste, hingen zuivere diamanten, en toen de zon opging, veranderden deze in topazen, smaragden en blauwe saffieren, stralend van licht, flonkerend van zuiverheid, schitterender dan aardse juwelen. De mensen uit de stad werden wakker en kwamen vol ongeduld naar de bramenplukker om zijn rijkdommen te kunnen zien. De bramenplukker trad naar buiten en schouwde zwijgend over de velden; zijn ogen stonden vol tranen. ‘Jullie treffen het wel,’ sprak hij zachtjes, ’zoveel parels liggen er anders nooit.’ ‘Ik zie geen parels,’ sprak de burgemeester. ‘Wij zien niets,’ riepen de mensen, ‘wij zien helemaal niets.’ De bramenplukker sloeg de handen in elkaar. ‘kijk om je heen! Zie je het niet?’ ‘Dat is dauw,’ sprak de burgemeester boos.‘Waar zijn de zuilengangen?’ ‘Daar,’ fluisterde de bramenplukker. ‘Dat zijn bomen.’ snerpte de burgemeester, ‘waar is het mozaïek?’ ‘Daar,’ sprak de bramenplukker. De burgemeester hief zijn ogen naar de purperen hemel. ‘Dat is gewoon lucht!’ beet hij hem toe. "En de spiegels? Dat? Bramenplukker, dat zijn vijvers die het zonlicht weerkaatsen!" “Waar is de muziek?’ De bramenplukker stak de wijsvinger op; de burgemeester luisterde. Toen richtte hij zich op en sprak met een bittere glimlach: ‘Dat is een simpele nachtegaal, onnozele! Wij zijn bedrogen.’ ‘Maar ik heb toch precies verteld zoals het is!’ riep de bramenplukker. ‘Hang hem op!’ riepen de mensen.
En toen ’s avonds de nachtegaal zijn trillend lied begon, was er niemand om te luisteren. Want de bramenplukker hing juist een tak lager, dood.
Foto: Stef Renodeyn - Ontdek zijn videokanaal Move with Nature